Sponsor

 

Vogelartikelenwebshop.nl

De Webshop met vogelartikelen die er voor
zorgt dat uw hobby betaalbaar blijft nu en in de toekomst.

De voortplanting

PDFAfdrukkenE-mailadres

De jaarlijkse cyclus van de vogel is nauw verbonden met een ingewikkelde inwendige cyclus van fysiologische verschijnselen die door de zgn. endocrine klieren geregeld worden en die voor een deel afhankelijk zijn van bepaalde uitwendige factoren.
 
Naar buiten manifesteert zich deze cyclus in o.a. de rui en de voortplanting.
We onderscheiden drie perioden:
a. de regeneratieve periode;
b. de acceleratieve periode;
c. de culminatieve periode.
 
Beginnen we bij de regeneratieve periode, dan zien we dat de endocrine klieren die bij de voortplanting betrokken zijn, de geslachtsklieren, in deze periode het kleinst van vorm en gewicht zijn en ongevoelig voor uitwendige prikkels. In deze periode valt ook de rui.
 
Na deze fase volgt een periode waarin de geslachtsklieren langzaam weer op gang komen. Deze aanloopperiode tot het broedseizoen noemen we de acceleratieve periode.
 
Uitwendige prikkels, zoals het lengen van de dagen en het groen worden van de gewassen, worden aan de hersenen doorgegeven. De hypofyse van niet tropische vogels zoals kanaries en cultuur vogels reageert op het lengen van de dagen. Bij tropische vogels wordt de hypofyse op een andere manier gestimuleerd nl. door een rijker voedsel aanbod, eiwit rijkere voeding en dagelijks badwater. Cultuurvogels b.v. komen uit gematigde streken met een duidelijk herkenbaar seizoens patroon met langere en kortere dagen. Vogels uit de tropen hebben nauwelijks seizoenen. De daglichtlengte verschilt daar nauwelijks, dus de hypofyse van deze vogels zal niet beïnvloed worden door de daglichtlengte.Deze prikkelen op hun beurt de hypofyse, een kleine endocrine klier, ingebed in de schedel onder de hersenen, tot produktie van gonadotrope hormonen die via de bloedbaan de geslachtsorganen van de vogels tot rijpheid en activiteit aanzetten. We kunnen de hypofyse als het fundamentele regelorgaan van alle drie perioden beschouwen. Tengevolge van de verhoogde hypofysewerking worden ook de secundaire geslachtskenmerken beïnvloed zoals bijv. het donker verkleuren van de snavel van een wildkleur pop.
  
Hierna volgt tenslotte de culminatieve periode waarin het nest wordt voltooid en de paring en het broedproces valt.
In deze periode ondergaat het lichaam van de pop in een tijdsbestek van ongeveer 10 dagen een enorme verandering door toedoen van het gonodotrope hormoon. De eierstok neemt in omvang toe. Van dit klierachtige orgaan dat aan een tros druiven doet denken en ook wel ovarium genoemd wordt, komen enkele eidooiers tot rijping. Ook de bloedlichaampjes nemen in aantal toe en bevatten een veelvoud aan eiwitten, vetten, kalk, fosfor alsmede diverse vitaminen. Verder treden veranderingen aan de buikhuid op. Er vallen veertjes uit en er ontstaat een kale plek, de broedplek, die meer en rijker doorbloed is als gevolg van de hormonale secreties.
 
Gedurende de rijping maken de eivormende cellen een groeiperiode door, gevolgd door twee delingen. Later, bij de behandeling van de erfelijkheid kom ik hierop uitgebreid terug, doch binnen het raam van dit hoofdstuk is het voldoende te weten dat uit één eivormende cel 4 eicellen of eigameten met elk een enkelvoudig chromosomenpatroon ontstaan. Van deze 4 eigameten komt er echter maar een tot volledige ontwikkeling; de overige drie gaan verloren.
 
De zaadvormende cel daarentegen levert aan het einde van de beide delingen wel 4 rijpe zaadgameten op, elk met een enkelvoudig chromosomenpatroon. De verklaring hiervoor is het verschil in de manier van deling en de taak van de ei- en zaadgameet.
We kunnen dus zeggen dat man en pop ieder gelijkelijk bijdragen aan de totstandkoming van de zygoot (bevruchte eicel), nl. één genoom, doch dat de verdere samenstelling en vorm van ei- en zaadcel verschillend zijn. Tot de paring worden de mannelijke zaadcellen, die door toedoen van hormonen door de testes worden afgescheiden, bij duizenden opgeslagen bij de cloaca (fig. 22).



 
 
Enkele uitzonderingen daargelaten (eenden, struisvogels) hebben vogels geen penis. De paring vindt plaats doordat de cloaca van de man stevig tegen die van de pop wordt gedrukt. Tijdens de copulatie stort de man de spermatozoïden in de cloaca van de pop (fig. 23).
 
De zaadgameten zijn bewegende cellen die de eicel a.h.w. zwemmend opzoeken. Ze zijn voorzien van een scherpe punt, acrosoom genoemd, en een staartje dat dient om zich in het spermatide plasma te kunnen voortbewegen. Spoedig nadat het rijpe ei uit het ovarium is vrijgekomen, wordt het aan het begin van het oviduct (eileider) bevrucht. Daartoe dringt een zaadcel de eicel binnen. Het staartje, ook wel zweepstaartje genoemd, blijft achter en gaat verloren. Onmiddellijk na de samensmelting wordt door de eicel aan het oppervlak een vliesje afgescheiden, het zogenaamde bevruchtingsmembraan. De zaadcel is nu hermetisch voor alle overige zaadcellen afgesloten. Dit verklaart ook het feit dat één paring voor verschillende bevruchte eieren kan zorgen. De overige achtergebleven zaadcellen blijven gedurende langere tijd in staat om eicellen te bevruchten.
In de regel wordt er één ovum of eicel per dag door de eierstok afgestoten. Als de eidooier omgeven door het dooiervlies verder afzakt in de eileider, wordt het eerste laagje eiwit afgezet. Doordat de dooier draaiende bewegingen maakt, ontstaat er een laag met twee gedraaide uiteinden die van punt naar punt lopen. Dit noemen we de hagelsnoeren. De hagelsnoeren hebben tot taak de eidooier op zijn plaats te houden en er voor te zorgen dat de vormingsdooier of kiemschijf, waarin zich de celkern bevindt, steeds bovenin de dooier blijft, zodat deze in direct contact met het broedende vogellichaam komt.
In een wat enger gedeelte van het oviduct wordt er een los vlies om het eiwit gevormd. Dit is het binnenste schaalvlies. In een verder stadium wordt door het vliesje heen meer eiwit toegevoegd. Dit eiwit (albumine) wordt door speciale klieren in de wand van de eileider geproduceerd.In een volgend gedeelte van de eileider wordt een tweede vlies, het schaalvlies gevormd. In het laatste gedeelte tenslotte, komt de luchtkamer tot stand, wordt de kalkschaal gevormd, en naar gelang de vogelsoort, voorzien van een kleurtje, en vervolgens komt er dan nog een wasachtige laag omheen om verdamping tegen te gaan (fig. 24).



 
 
De passage door het oviduct duurt voor de meeste vogels een etmaal. Het ei verlaat het lichaam via de cloaca. Zodra de leg begonnen is, begint de eierstok zelf ook een hormoon te produceren. Dit oestrogeen hormoon komt via de bloedbaan bij de hypofyse en zorgt ervoor dat deze de afscheiding van het gonadotrope hormoon beperkt. Naarmate er meer eieren door het ovarium worden afgestoten, wordt de hoeveelheid oestrogeen opgevoerd en vermindert de produktie van het gonadotrophine. Ten laatste komt de produktie van het gonadotrope hormoon geheel stil te liggen en de vogel houdt op met de leg.
Op het moment echter dat de hypofyse de afscheiding van het gonadotrope hormoon verminderd heeft, is ze begonnen met de produktie van het hormoon prolactine dat de vogel prikkelt met het broeden te beginnen. Immers, op het moment dat het ei gelegd wordt, bevindt het embryo zich in een sluimerende toestand en kan pas door het broeden tot verdere ontwikkeling komen.
 
Aan het einde van de broedduur, bij de gouldamadine na 13 tot 14 dagen na het leggen van het voorlaatste ei, bevrijdt de jonge vogel zich met het eitandje uit zijn te klein geworden behuizing en begint er een nieuw leven.
Ik spreek de hoop uit dat ik deze gecompliceerde materie bij u ook een beetje tot leven heb gebracht.