Sponsor

 

Vogelartikelenwebshop.nl

De Webshop met vogelartikelen die er voor
zorgt dat uw hobby betaalbaar blijft nu en in de toekomst.

Vitaminen en mineralen

PDFAfdrukkenE-mailadres

Bijna alle dieren hebben behalve bouw- en brandstoffen, zo heeft men proefondervindelijk vastgesteld, nog bepaalde andere stoffen nodig voor het juiste verloop van de verschillende fysiologische en psychologische processen in het organisme. Men noemt deze stoffen vitaminen. Het zijn organische verbindingen die door het plantenrijk worden opgebouwd.
Vitaminen zijn, in uitermate kleine hoeveelheden, een werkzaam middel bij de diverse levensprocessen en komen daarom niet als bedrijfsstof en bouwstof in aanmerking. Gebrek of een tekort aan bepaalde vitaminen uit zich in een ziektebeeld dat karakteristiek is voor de ontbrekende vitaminen. Men spreekt bij een totaal ontbreken van een vitamine van avitaminose en bij een tekort aan vitamine van hypovitaminose. Een teveel aan vitaminen, wat zich vooral voor kan doen bij de vitaminen A en D, wordt hypervitaminose genoemd. We weten dus dat vitaminen, hoewel in geringe hoeveelheden benodigd, van vitaal belang zijn. Met opzet heb ik hierboven het woord 'vitamine' en 'vitaal' in één zin gebruikt, omdat vele vogelliefhebbers van mening zijn dat vitaminen en vitaliteit samengaan. Men gaat er daarbij vanuit dat door aan de vogels flinke hoeveelheden vitaminen te verstrekken ze overlopen van energie en vitaliteit. Niets is echter minder waar. In werkelijkheid wordt het grootste gedeelte van de verstrekte vitamine door het vogellichaam weer afgescheiden zonder er ook maar de minste betekenis voor te hebben gehad. Wel is het zó dat onze vogels bij een gebrek aan vitaminen, dus bij een gebreksziekte, gewoonlijk weinig energie en vitaliteit tonen. Laten we ons daarom wat betreft de vitaminen niet door gevoelens laten leiden, doch e.e.a. eens wat beter bekijken. Wel wil ik nog opmerken dat gebreksziekten een hele serie oorzaken kunnen hebben en veel vaker dan we denken te wijten zijn aan storingen in de stofwisseling doordat bepaalde aminozuren ontbreken.
We kunnen de vitaminen in twee groepen indelen:
1. de in vet oplosbare vitaminen A, D, E, en K;
2. de in water oplosbare vitaminen van het B-complex en C.
 
Vitamine A
 
Vitamine A komt o.a. voor in melk en eierdooier en, niet te vergeten, in levertraan. Het pro-vitamine A komt voor in groene bladgroenten, zoals spinazie, gras, brandnetels, klaversoorten en verder nog in wortelen. De omzetting van het pro-vitamine A in vitamine A geschiedt bij de vogels in de lever.
Avitaminose A uit zich in een algemene achteruitgang van de gezondheid, onbevruchte eieren, zwellingen aan poten en kop, ruwe bevedering en plotselinge sterfte.
Hypervitaminose A kan leverziekten veroorzaken.
Vitamine A is zeer lichtgevoelig, tevens gevoelig voor oxidatie, voor zuren en alkalische stoffen. Donker bewaren en diëten pas vlak voor de verstrekking aan de vogels bereiden, zijn praktische maatregelen om verlies van vitamine A tegen te gaan.
 
Vitamine D
 
De tweede belangrijke in vet oplosbare vitamine is vitamine D. Voor de vogels is uitsluitend vitamine D3 van belang. Vitamine D3 speelt bij de beenvorming een voorname rol en is vooral onmisbaar bij de calcium- en fosforstofwisseling.
Vitamine D komt voor in levertraan. De vitaminen zijn zoals ik al opmerkte alle van plantaardige oorsprong. De lever van de heilbot is dus slechts de opslagplaats en niet de producent van deze natuurlijke vitamine. De betekenis van vitamine D voor het vogellichaam zit in de regulerende werking van deze stof op de opname van calcium in het beenderengestel.
Onder invloed van ultraviolet licht wordt uit pro-vitamine D3, het van dierlijke producten afkomstige zgn. 7-dehydrocholestorol, ook wel choleacalciferol genaamd, omgezet in voor vogels bruikbare vitamine.
Vogels die uitsluitend achter glas gehouden worden, kunnen i.v.m. de niet-doorlaatbaarheid van ultraviolet licht door vensterglas niet van het zonlicht profiteren zodat men gebruik kan maken van kunstmatige bestraling waarvoor tegenwoordig geschikte buislampen in de handel zijn.
Avitaminose D3 kan de volgende deficiëntieverschijnselen te zien geven: rachitis slechte groei, verlammingsverschijnselen, ruwe bevedering, windeieren en legnood. Een overdosis van vitamine D gedurende langere tijd zal leiden tot ontkalking van het beenderengestel.
Vanwege zijn hoge lichtgevoeligheid moet men levertraan steeds donker bewaren, vandaar dat de meeste fabrikanten de levertraan afleveren in donkere flessen. Verder bij de toebereiding van de voeding handelen zoals al bij vitamine A is aangegeven.
 
Vitamine E
 
Over vitamine E, ook wel het vruchtbaarheidsvitamine genoemd, zijn vele verhandelingen geschreven. Vele vogelliefhebbers zweren bij vitamine E en zijn van mening dat er in fokkerij nauwelijks nog iets mis kan gaan als er maar een flinke hoeveelheid vitamine E in de te verstrekken voeding wordt bijgemengd.
De werkelijke waarde van vitamine E voor de vruchtbaarheid is echter veel minder opmerkelijk, wat uit het volgende moge blijken. Evenals de andere vitaminen wordt vitamine E in plantaardige stoffen gevonden. Het wordt ook wel a-tocopherol genoemd. Dit a-tocopherol en nog een andere vetachtige stof, lecithine, worden als antioxidant gebruikt om vitamine A te beschermen tegen oxidatie. Proeven hebben namelijk uitgewezen dat bij een gebrek aan vitamine A steriliteit bij mannelijke vogels optreedt.
Zonder vitamine E als antioxidant is de waarde van vitamine A spoedig nihil. Hieruit blijkt dat de vitamine E slechts indirect van invloed is op de vruchtbaarheid, temeer omdat aangetoond is dat bij gebruikmaking van een synthetisch antioxidant voor vitamine A geen onvruchtbaarheidverschijnselen optreden.
Vitamine E komt voor in o.a. sla, verder in de kiemen van graszaad en diverse granen. Tarwekiemolie en in iets mindere mate maïs- en sojaolie zijn rijk aan vitamine E.
Verlammingsverschijnselen en het onvermogen tot vliegen kunnen een gevolg zijn van vitamine E-deficiëntie.
Vitamine E is licht- en luchtgevoelig, is echter goed bestand tegen zuren.
 
Vitamine K
 
Vitamine K, ook wel koagulationsvitamine genoemd, vandaar de afkorting, houdt verband met de bloedstolling. Vitamine K komt o.a. voor in groenvoeders en wortelen. Ook kan het door darmbacteriën worden opgebouwd en wel in zulke grote hoeveelheden dat de uitwerpselen dikwijls rijker zijn aan vitamine K dan het opgenomen voedsel.
Vitamine K-deficiëntie kan tot inwendige bloedingen leiden, doch meestal worden deze veroorzaakt als gevolg van een andere ernstige ziekte.
 
  
Het vitamine B-complex
 
Tot het vitamine B-complex behoren een hele reeks vitaminen die alle in water oplosbaar zijn. Als belangrijkste noem ik: B1, B2, B6, B12, evenals biotine, choline, foliumzuur, nicotinezuur en pantotheenzuur.
Voor zover bekend, zijn voor levende cellen de B-vitaminen noodzakelijk.
 
Vitamine B1
 
Thiamine, zoals vitamine B1 ook vaak wordt genoemd, komt voor in zaadkiemen en in zemelen van zaden en ook, maar in wat mindere mate, in groenvoer en melk. Thiamine is noodzakelijk voor de groei en ontwikkeling en draagt in belangrijke mate bij tot de koolhydraatstofwisseling en de waterhuishouding van het lichaam. Ook schijnt vitamine B1 invloed uit te oefenen op het geheel van zenuwen dat prikkels van de buitenwereld opvangt en doorgeeft naar het centrale zenuwstelsel. Vandaar dat bij een tekort aan thiamine o.a. verlammingsverschijnselen optreden.
Andere deficiëntieverschijnselen zijn: ruwe bevedering, dik zitten en vaak een slijmerige ontlasting.
 
Vitamine B2
 
Vitamine B2, ook wel aangeduid als riboflavine, komt voor in melk, eieren, granen, zaden en in biergist. Riboflavine is voor de enzymatische processen van de stofwisseling van koolhydraten, vetten en eiwitten onontbeerlijk.
Vitamine B2 uit zich in verminderde groei, afsterven van de vrucht in het ei, teenverkrommingen.
 
Vitamine B6
 
Vitamine B6 of pyridoxine komt o.a. voor in bladgroenten, biergist en graankiemen. Het is zeer lichtgevoelig.
Een tekort aan vitamine B6 zal onherroepelijk leiden tot storingen in de eiwitstofwisseling, en een hiermee gepaard gaande slechte groei en kramptoestanden. Vitamine B6 treedt namelijk als een soort hulp op van enzymen die betrokken zijn bij deze stofwisselingsprocessen. M.a.w., de activiteit van de betrokken enzymen hangt af van de aanwezigheid van een bepaalde vitamine. Ook nicotinezuur, pantotheenzuur, foliumzuur en biotine blijken ieder voor zich gebonden te zijn aan een of meerdere enzymgroepen.
 
Vitamine B12
 
Omdat de chemische samenstelling van vitamine B12 is opgebouwd rond een atoom kobalt, wat als een unicum mag worden beschouwd in levende organismen, wordt het ook wel cyaancobalamine genoemd.
Vitamine B12 komt voor in meststoffen en kan door de vogels d.m.v. de in de darmen voorkomende bacteriën worden gevormd. Verder komt het in uiterst geringe hoeveelheden voor in melk en eierdooier. Ook in antibiotica, zoals penicilline, terramycine en aureomycine, die dienen om schadelijke micro-organismen te vernietigen, komt vitamine B12 voor. Vitamine B12 is voor de omzetting van bepaalde aminozuren in andere aminozuren uitermate belangrijk. Ook bij de vorming van bloedlichaampjes, zo hebben proeven duidelijk aangetoond, is vitamine B12 betrokken.
Een vitamine B12-gebrek zal ongetwijfeld leiden tot slechte broedresultaten, zoals slecht uit het ei komen en een hoge sterfte gedurende de eerste levensdagen.
 
Biotine
 
Biotine fungeert als co-enzym bij de koolhydraatstofwisseling en is voorts betrokken bij de vetsynthese. Bij gebrek aan biotine treden huidafwijkingen op, vooral rondom de snavel. Behoorlijke hoeveelheden biotine komen voor in eierdooier, melkpoeder, aardnoten, granen en groenvoeders. Ook kan de vogel zelf biotine vormen in het darmkanaal.
De vitamine is zeer lichtgevoelig doch tamelijk bestand tegen zuren. De stof echter niet vermengen met rauwe eieren vanwege het hierin voorkomende avidine, dat de werking van biotine onmogelijk maakt.
 
Choline
 
Choline komt vooral voor in zonnebloempitten en diverse andere zaden. Bijzonder rijk aan choline zijn verder melkpoeder, biergist en vismeel.
Choline speelt een rol bij de afzet van vetten in de lever en bij het transport van vetzuren uit de lever.
Deficiëntieverschijnselen zijn leververvetting en een hiermede gepaard gaande lichamelijke achteruitgang.
 
Foliumzuur
 
Foliumzuurverbindingen spelen o.a. een belangrijke rol in de DNA- en RNA-synthese en zijn dan ook van essentieel belang voor de celgroei en celdeling.
Verschijnselen van foliumzuurdeficiëntie zijn o.a. dunne ontlasting, ademnood, gewichtsverlies, algemene zwakte, slechte bevedering en onvoldoende groei.
Redelijke hoeveelheden foliumzuur komen o.a. voor in tarwe, maïs, andijvie en koolsoorten. Foliumzuur is warmte- en zeer lichtgevoelig. De aanwezigheid van vitamine C in de voeding remt het verlies aan foliumzuur af. Samengestelde diëten waarin weinig of geen vitamine C voorkomt, zijn tevens arm aan foliumzuur.
 
Nicotinezuur
 
Nicotinezuur is wat structuur betreft verwant aan de tabaksalkoloïde 'nicotine', maar heeft natuurlijk geheel andere eigenschappen. Nicotinezuur is voor de levende cel onontbeerlijk terwijl nicotine een zwaar vergif is.
Nicotinezuur, ook wel eens vitamine P genoemd, speelt een rol bij de vorming van enzymen die bij de stofwisseling van vetten en koolhydraten maar ook bij de ademhaling van de cellen van grote betekenis zijn. Bovendien beïnvloedt deze vitamine de groei en de ontwikkeling van de bevedering. De stof komt o.a. voor in groenvoeders, aardnoten en gerst.
Een trage groei, algemene zwakte en een slechte bevedering maar ook ontstekingen aan de huid kunnen wijzen op een gebrek aan nicotinezuur.
 
               
Pantotheenzuur
 
Pantotheenzuur is onmisbaar bij vele enzymatische processen van de stofwisseling. Melk, eigeel, aardnoten, groenvoeders en zonnebloempitten zijn goede leveranciers van deze vitamine.
Slechte groei, lage broeduitkomsten en een slechte bevedering met kale plekken in de nek en hals kunnen op een gebrek aan pantotheenzuur duiden.
 
Inositol
 
Inositol speelt een rol bij de vetstofwisseling en komt voor in zowel dierlijk als plantaardig weefsel. Over de betekenis van deze vitamine vooral voor de vogels is weinig bekend. Het schijnt dat de vitamine in zijn werking veel overeenkomst vertoont met choline.
 
Para-aminobenzoëzuur
 
De stof is waarschijnlijk een vitamine voor een vitamine en is noodzakelijk voor de vorming van foliumzuur. De vitamine komt voor in biergist. Deficiënties geven groeistoornissen te zien.
 
Vitamine C
 
Vitamine C komt voor in groenten en verse vruchten. Rijk aan vitamine C zijn zwarte bessen, rozenbottels en citrusvruchten.
Vogels kunnen uit koolhydraten zelf vitamine C opbouwen, zodat een tekort bij een afwisselende voeding niet voor zal komen. Vitamine C is zeer lucht- en lichtgevoelig. De vitamine is van fundamenteel belang bij de vorming van het bindweefsel. Ook vervult het een rol bij de totstandkoming van de rode bloedkleurstof en bij de celademhaling.
 
Mineralen
 
Al eerder hebben wij gezien dat levend weefsel hoofdzakelijk is opgebouwd uit de elementen koolstof (C), waterstof (H), zuurstof (O) en stikstof (N). Samen vormen deze elementen ruim 96% van het totale lichaamsgewicht van de grasparkiet. De overige 4% is een verzameling stoffen van minerale of anorganische oorsprong zoals calcium, fosfor natrium, chloor, magnesium en nog een aantal andere.
Sommige elementen zijn in zulke kleine hoeveelheden aanwezig dat ze ook wel sporenelementen worden genoemd. Ondanks de zeer geringe hoeveelheden zijn sporenelementen levensnoodzakelijk. Niet alle sporenelementen zijn echter essentieel voor elk levend wezen. Bepaalde elementen, zoals bijv. aluminium, zijn volkomen nutteloos voor levende organismen. Andere, zoals kwik, lood, cadmium en arsenicum, die door de toenemende milieuvervuiling steeds meer voorkomen, zijn zonder meer toxisch (vergiftig). Het verzamelen van groenvoer en onkruidzaden in de nabijheid van autowegen en industriegebieden moet om deze reden dan ook sterk worden ontraden.
Een 14-tal sporenelementen echter is zoals men thans aanneemt essentieel voor het leven. Het zijn: ijzer, koper, zink, mangaan, kobalt, jodium, molybdeen, selenium, fluor, nikkel, tin, chroom, silicium en vanadium. Het is echter mogelijk dat nog andere sporenelementen in de toekomst essentieel blijken te zijn.
De minerale bestanddelen van levende organismen zijn niet alleen noodzakelijk omdat ze in aantoonbare hoeveelheden in het lichaam voorkomen, doch veel meer omdat het onmisbare bouwstoffen voor het skelet zijn, noodzakelijk bij de groei en opbouw van nieuw te vormen en te vervangen cellen. Voorts zijn het bouwstenen van ingewikkelde verbindingen zoals de rode bloedkleurstof, hemoglobine, en van verscheidene enzymen en hormonen.
In de vorm van bepaalde zouten opgelost, bepalen ze de fysisch-chemische gesteldheid van de lichaamscellen en vloeistoffen, regelen de osmotische druk, zwellingsdruk van de colloïdale stoffen en helpen de H-ionenconcentratie in het protoplasma in stand te houden.
De dosering van sporenelementen dient uiterst nauwkeurig te geschieden waarbij als regel geldt dat teveel even slecht is als te weinig. Sommige stoffen immers zoals bijv. de sporenmetalen zijn in kleine hoeveelheden levensnoodzakelijk, in grote hoeveelheden een dodelijk vergif. Om overdosering van sporenelementen te voorkomen verdient het aanbeveling deze toe te dienen in de vorm van natuurlijke producten. Vergissingen zijn dan vrijwel uitgesloten.
De belangrijkste stoffen zullen we eens wat nader bekijken.
 
Calcium (Ca)
 
Kwantitatief is calcium het belangrijkste element. Circa 99% hiervan bevindt zich in het beenweefsel, waar het ongeveer 2% van het totale lichaamsgewicht van de grasparkiet uitmaakt.
Samen met fosfor speelt calcium een belangrijke rol in de beenderstructuur. Het beendergestel kan als een soort bewaarplaats van calcium beschouwd worden waaruit naar behoefte geput wordt voor taken elders in het lichaam. Het gevolg hiervan is een voortdurende uitwisseling van calcium tussen skelet en de lichaamsvloeistoffen. Voorts is voor de bloedstolling de aanwezigheid van Ca-ionen onontbeerlijk omdat er in dit opzicht geen element is dat calcium kan vervangen. Ook voor de vorming van de eischaal en het functioneren van de hartspier is calcium onmisbaar.
Goede calciumbronnen zijn: melkpoeder, melk, fosforzure kalk, grit, sepia, boerenkool en herdertasje.
 
Fosfor (P)
 
Ongeveer 1% van het totale lichaamsgewicht van de parkiet bestaat uit fosfor. Hiervan bevindt zich ongeveer 80% in het beenweefsel. Het element fosfor vervult de belangrijkste en de meest gevarieerde functies in de chemische bedrijvigheid van het vogellichaam. Bij vrijwel alle stofwisselingsprocessen speelt het een rol. Sommige fosfaathoudende moleculen zorgen voor de energieoverdracht in het lichaam wat te vergelijken is met de elektronen in een elektrische stroomkabel. Ook bij de vorming van het beendergestel is fosfor samen met calcium onmisbaar, evenals bij de eivorming.
Fosforzure kalk, de naam zegt het al, maar ook melk, en melkpoeder zijn uitstekende fosforbronnen.
Overigens bestaat er een zeker evenwicht tussen de vaste calcium-en fosforverbindingen in de beenderen van het skelet en de hoeveelheid calcium en fosfor in het bloed.
Het is ondoenlijk om een minimumbehoefte aan calcium vast te stellen omdat een echte calciumdeficiëntie moeilijk te herkennen is door de grote voorraden calcium in het gebeente. Ook over de behoefte aan fosfor is weinig met zekerheid bekend. Wel mag naar mijn mening worden aangenomen dat indien het overgrote deel van het calcium verkregen wordt uit producten van dierlijke oorsprong, daarmee ook de fosforvoorziening voldoende zal zijn.
 
Magnesium (Mg)
 
Magnesium komt zowel in het beendergestel alsook in het weefsel en in bepaalde fermenten voor. Bovendien is magnesium bij de koolhydraatstofwisseling en bij de vorming van de eischaal onmisbaar.
Het in het skelet voorkomende magnesium is evenals het calcium gemakkelijk uitwisselbaar. Van een wisselwerking tussen calcium en magnesium is echter praktisch niets bekend. De nuttige opname van magnesium in het vogellichaam kan in belangrijke mate afgeremd worden indien teveel fosfor en calcium in de te verstrekken voeding voorkomt.
Een langdurig tekort aan magnesium in de voeding kan groeistoornissen en een ziekelijke ophoping van vocht in het celweefsel tot gevolg hebben. Sepia en tarwe bevatten behoorlijke hoeveelheden magnesium.
 
Natrium (Na)
 
Natrium wordt in het lichaam hoofdzakelijk buiten de cellen aangetroffen. In het bloedplasma draagt het bij tot de regeling van verschillende taken. Bovendien is het een belangrijk mineraal bestanddeel van het skelet. De dagelijkse behoefte aan natrium, die in de vorm van gewoon keukenzout voorkomt, is niet bekend. Van de natuurlijke producten leveren melk en vooral melkpoeder goede hoeveelheden natrium.
 
Kalium (K)
 
In tegenstelling tot natrium, dat voornamelijk buiten de cellen voorkomt, wordt kalium hoofdzakelijk in de cellen aangetroffen. Kalium vervult een fundamentele taak bij de vorming van het skelet. Voorts vervult kalium samen met natrium een belangrijke rol bij de totstandkoming van de osmotische druk. Bij veel vochtverlies, wat zich vooral kan voordoen bij darmstoornissen die meestal gepaard gaan met dunne ontlasting, kan een kaliumdeficiëntie optreden.
Melk, melkpoeder, koolsoorten en aardnoten (pinda's) zijn rijke kaliumbronnen.
 
Chloor (Cl)
 
Het element chloor komt steeds in bepaalde verbindingen voor. Het is het voornaamste anion voor zowel kalium als natrium. Een molecuul gewoon zout bijv. is opgebouwd uit één atoom natrium en één atoom chloor (NaCl). Het in de maag voorkomende zoutzuur bestaat uit moleculen die ontstaan uit één atoom waterstof en één atoom chloor (HCl).
Zout is een zaak van leven en dood omdat het een van de grondbestanddelen van het levende organisme is. In het bloed zijn steeds zouten aanwezig. Opmerkelijk is, dat de onderlinge kwantitatieve verhoudingen van de zouten in het bloed (NaCl, KCl, MgCl2, CaCl2), niet te verwarren met de zoutconcentratie, veel gelijkenis vertonen met de zoutverhoudingen in het zeewater, de oermilieuvloeistof van het dierenrijk.
 
 
Zwavel (S)
 
De belangrijkheid van zwavel blijkt uit het voorkomen hiervan in enkele aminozuren. Een voorbeeld is het aminozuur cystine dat per molecuul 2 zwavelatomen bevat.
Zwavel komt o.a. voor in het bloedserum en schijnt ook bij de ontwikkeling van de bevedering een belangrijke rol te spelen.
Eieren, brood en melk zijn goede zwavelleveranciers.
 
IJzer (Fe)
 
De taak van ijzer is min of meer duidelijk. IJzer is een bestanddeel van de rode bloedkleurstof, hemoglobine, een eiwit dat het vermogen bezit zuurstof op uiterst gemakkelijke wijze chemisch te binden en ook weer los te laten in een omgeving met weinig zuurstof. Hemoglobine kunnen we dus als het transportmiddel voor zuurstof beschouwen. Door ijzergebrek in het voedsel ontstaat er op den duur een tekort aan hemoglobine in het bloed wat zal resulteren in een verminderd zuurstoftransport van de longen naar de cellen.
Sommige enzymen bevatten eveneens ijzer. Boerenkool, andijvie, brood en eigeel bevatten redelijke hoeveelheden ijzer.
 
 
Koper (Cu)
 
Evenals ijzer speelt koper een belangrijke rol bij de vorming van bloedlichaampjes. In theorie volgt hieruit dat koper essentieel is wat door proefnemingen is bevestigd. Ook bij de melaninevorming in de bevedering schijnt koper een voorname rol te vervullen.
Boerenkool, andijvie en vismeel bevatten goede hoeveelheden koper.
 
 
Zink (Zn)
 
Zink is een integraal bestanddeel van een enzym dat onontbeerlijk is bij de behandeling van koolstofdioxide door het lichaam. Ook bij de vorming van de eischaal en het beendergestel vervult het een belangrijke functie. Granen bevatten redelijke hoeveelheden zink.
 
Mangaan (Mn)
 
Ook mangaan is essentieel voor dierlijk leven. Het speelt o.a. een rol bij de vorming van het beendergestel en de eischaal. Evenals de meeste sporenelementen is mangaan een werkzaam element in een aantal enzymsystemen.
Mangaandeficiënties kunnen evenwichtsstoornissen en steriliteit tot gevolg hebben. Eieren die te weinig mangaan bevatten, zijn slecht broedbaar.
Boerenkool, andijvie en niet te vergeten sepia zijn rijk aan mangaan.
 
Kobalt (Co)
 
Kobalt is een essentieel sporenelement. Bij de behandeling van de vitaminen is al gezegd dat kobalt een essentieel bestanddeel is van het vitamine B12 (cyaancobalamine) en daarom onmisbaar bij de vorming van bloedlichaampjes. Het vitamine B12-molecuul bestaat slechts voor 4,5% uit kobalt zodat de behoefte aan kobalt zeer gering zal zijn.
 
Molybdeen (Mo)
 
Molybdeen werd pas in 1954 als essentieel sporenelement ontdekt. Het schijnt een component van bepaalde enzymen te zijn die een rol vervullen bij de vetzuuroxidatie en de bloedvorming. Het ontbreken van molybdeen in het voedsel geeft aanleiding tot verschillende ziekten.
 
Jodium (J)
 
Jodium komt vooral voor in de schildklier, waar het deel uitmaakt van een tweetal hormonen. De schildklierhormonen regelen de gehele stofwisseling en prikkelen de lichaamscellen tot activiteit.
Bij een gebrek aan jodium ontstaat een schildklierweefsel van inferieure kwaliteit. Het is alsof de natuur deze verminderde kwaliteit door een vermeerderde kwantiteit wil compenseren en de beruchte kropziekte die in wezen niets anders is dan een woekering van de schildklier, is een feit. Bijzonder grote vergroeiingen kunnen de ademhaling ernstig bemoeilijken.
Levertraan bevat aanzienlijke hoeveelheden jodium.
 
Selenium (Se)
 
Van de behoefte aan het element selenium is nog niet veel bekend. Wel is er een interrelatie tussen selenium en vitamine E. Proeven met kuikens hebben aangetoond dat indien de voeding deficiënt is aan zowel selenium als vitamine E, er ernstige ophopingen van vocht in het celweefsel optreden met een verminderd gehalte van het eiwit, albumine, in het bloed. Uit het vorenstaande zou men daarom de conclusie mogen trekken dat het element ook voor vogels nuttig is.
 
Fluor (F)
 
Fluor is een essentieel sporenelement. Het is een normaal bestanddeel van ons drinkwater. Per liter bevat het water in ons land 0,1 tot 0,3 mg fluor. Fluor vervult een functie in het bloed. Fluordeficiëntie kan groeistoornissen en onvruchtbaarheid tot gevolg hebben.